Crematoria

Holocaustontkenners praten vaak een pamflet na, ’66 Vragen over de Holocaust’. De vragen zijn geen vragen maar beweringen. De website Nizkor heeft ze alle 66 ontzenuwd.
Hieronder de weerlegging – tot in de lugubere details – van ‘vragen’ die Holocaustontkenners stellen om hun bewering dat er nooit zoveel slachtoffers gecremeerd kunnen zijn aan de man te brengen.
Klik op de plus of min voor een vraag om het antwoord op die vraag te openen of sluiten. In het menu hiernaast vragen over andere onderwerpen.


Het IHR zegt:

Veel meer dan de Duitsers konden krijgen, aangezien er toen een groot gebrek aan brandstof was.

Nizkor antwoordt:

“Konden krijgen”? Het kamp Auschwitz III, Monowitz, was een industrieel werkkamp waar brandstof werd geproduceerd! Het IHR geeft dit zelfs toe in hun herziene versie van vraag 6. Is er een betere manier om brandstof te “krijgen”?

Hoe dan ook is dit een misleidende vraag: er was geen energierijke en geraffineerde brandstof als benzine nodig. In plaats daarvan werden er goedkope brandbare stoffen gebruikt zoals motorolie en methanol, die in relatief grote hoeveelheden beschikbaar waren.

Höss beschrijft het openlucht verbrandingsproces in Treblinka (Bezwinska en Czech, KL Auschwitz Seen By The SS, 1984, p. 133):

[Na een vergassing in Treblinka] werden de gaskamers geopend en werden de lichamen eruit gehaald, ontkleed en verbrand op een rooster gemaakt van treinrails.
De vuren werden gestookt met hout, en af en toe werden de lichamen besproeid met olie-afval.

Hij beschrijft ook het proces in zijn eigen kamp, Auschwitz (Kogon et al., Nazi Mass Murder, 1993, pp. 168-169):

In de zomer van 1942 werden de lichamen nog steeds naar massagraven gedragen. Pas tegen het einde van de zomer kwam crematie in gebruik – eerst door een houtvuur met ongeveer tweeduizend lijken, en later in de greppels, met de lijken die daar eerder begraven en vervolgens opgegraven waren. Ze werden begoten met gebruikte motorolie, later met methanol.

Het was geen grote opoffering voor de nazis om een beetje gebruikte motorolie op te geven.
In de herziene versie veranderde het IHR het overduidelijke verzinsel over “benzine”, in “brandstof”, dat slechts onjuist is. Het blijft misleidend. De term “brandstof” dekt veel, maar gebruikte motorolie valt er niet onder.



Het IHR zegt (eerste versie):

Nee, het is onmogelijk dat menselijke lichamen op die manier volkomen verteerd worden door vuur, omdat er in open kuilen niet genoeg hitte ontwikkeld wordt.

Het IHR zegt (herziene versie):

Nee. Het is onmogelijk dat menselijke lichamen op die manier volkomen verteerd worden door vuur vanwege gebrek aan zuurstof.

Nizkor antwoordt:

Wat is het nu: hitte, of zuurstof?
Ongeacht wat Holocaust-ontkenners willen geloven, het simpele feit is dat dergelijke verbrandingen hebben plaatsgevonden. Er bestaat zelfs een beroemde foto van kuilverbrandingen, die uit Auschwitz-Birkenau is gesmokkeld.



Het IHR zegt (origineel):

Ongeveer 2 uur.

Het IHR zegt (herzien):

Ongeveer anderhalf uur, maar de grotere botten moeten daarna nog een bewerking ondergaan.

Nizkor antwoordt:

Is het nu anderhalf uur, of 2? De laatste tijd gaan de Holocaust-ontkenners af op de getuigenis van Ivan Lagace, die blijkbaar in het Zündel-proces heeft gezegd en later heeft geschreven dat het zes of acht uur per lichaam duuurt.
Het IHR maakt het wel bont door te klagen dat de getuigenissen van overlevenden elkaar tegenspreken op technische details zoals de tijd die nodig is voor crematie – het komt zelf niet eens met een eenduidig verhaal!

Het verschil tussen de schattingen van het IHR en de werkelijke tijd (eerder 30 minuten) komt vooral doordat het IHR militair-industriële crematoria verwart met normale civiele crematoria.
Met “professionele crematorium operators” bedoelen ze mensen als Lagace, wiens baan het is één lichaam tegelijk te cremeren, met een doodskist, in een oven die is ontworpen om zelfs de grootste botten tot een fijne as te verbranden die de nabestaanden mee naar huis kunnen nemen. Die situatie is duidelijk niet te vergelijken met de situatie in Auschwitz-Birkenau tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Lagace zou er bijvoorbeeld niet over peinzen om de as van de ene overledene te mengen et die van een ander. Lagace en het IHR vergeten dat er twee of drie lichamen in elke ‘moffel’ kunnen worden gestopt. Dit zou in een civiele, commerciële instelling natuurlijk nooit gebeuren.

Bovendien waren de ovens in Auschwitz ontworpen om voortdurend te branden, waarbij de hitte die werd geproduceerd door de verbranding van voorgaande lichamen werd gebruikt om de oven heet te houden voor de volgende. Nadat ze aan het begin van de dag met cokes waren opgestookt tot de juiste temperatuur, was er weinig of geen extra brandstof meer nodig. Dit technische succes is goed gedocumenteerd (zie Gutman et al., Anatomy of the Auschwitz Death Camp, 1994, pp. 185-187ff). Lagace zegt dat er een “afkoelingsperiode” moest zijn na elk gecremeerd lichaam, wat zijn diepe onwetendheid toont omtrent de werking van de ovens. Lagace zegt dat continu gebruik de ovens van Auschwitz onklaar zou hebben gemaakt, maar alweer: hij begrijpt eenvoudig niet het verschil tussen gewone burgerlijke crematoria en militair-industriële.

Bovendien brandt een commercieel crematorium normaliter een lichaam langer na, om alle sporen van gecarboniseerd vlees te verwijderen en de botten wit te maken. Niettemin verlengen die processen de totale crematietijd slechts met twee tut vier uur, en niet met de zes tot acht uur waarover Lagace het had. Lagace vergeeet dat dergelijke cosmetische zorgen niet van belang waren voor de nazi’s. maar deze en andere vergissingen worden behandeld in het antwoord op vraag 45.

Maar nog afgezien van deze vergissingen, bestaat er eenvoudigweg geen twijfel over de verbrandingstijd van de ovens. In 1939 kreeg de firma Topf en Zonen de opdracht om een oven voor Dachau te bouwen die een geschatte capaciteit had van een lichaam per uur per moffel (maal twee moffels). Door de luchtdruk te vergroten, hadden zij in juli 1940 een oven geproduceerd die net iets minder dan twee lichamen per uur per moffel kon verbranden (alweer, maal twee moffels). De oven had drie uur onderhoud per dag nodig, heel wat minder dan de twaalf die volgens de IHR in vraag 45 LINK nodig zijn. (Zie Gutman et al., op. cit., pp. 185-186, 189-190.)

De crematoria die uiteindelijk in Auschwitz-Birkenau werden geinstalleerd waren enorm. Zij konden meerdere lichamen per moffel verwerken in ongeveer een half uur, en zij konden dagen achter elkaar doorbranden zonder onderhoud. (Na verloop van tijd kwamen er problemen mee, en meerdere ovens waren maanden achter elkaar buiten bedrijf.) Topf en Zoon kreeg in 1951 patent op zijn ovens, en ook dit patent vermeldt dat een enkele moffel een lichaam in een half uur kan cremeren.

Er bestaat een foto van de ovens in Krema II (klik desgewenst de link).



Het IHR zegt:

Om efficiënt en hygiënisch de lichamen op te ruimen die ontstonden door de tyfusepidemieën.

Nizkor antwoordt:
… en door de massale vergassingen. Zie het antwoord op vraag 45.



Het IHR zegt:

Ongeveer 430.600.

Nizkor antwoordt:

Dit onjuiste aantal is het resultaat van een opeenstapeling van fouten. De fouten in de verbrandingstijd per lichaam en onderhoudstijd worden behandeld in vraag 42. De fout in het aantal lichamen per moffel wordt behandeld in vraag 45.

Het kan leerzaam zijn naar theoretische aantallen te kijken, mits men onthoudt dat de theoretische capaciteit om een aantal redenen nooit is gehaald. Maar als men wil bedenken wat de theoretische aantallen geweest hadden kunnen zijn, bij een hypothetische operationaliteit van 100% en zonder onderbrekingen voor onderhoudt, zijn de aantallen verpletterend.

We hoeven niet eens naar alle nazikampen te kijken; laten wij het alleen hebben over Auschwitz-Birkenau. Sterker, laten we alleen de twee grootste crematoria (van de vijf) bekijken. Als alleen die twee ovens 24 uur per dag op hun volle geschatte capaciteit hadden gedraaid vanaf hun installatie in april 1943 tot zij in 1944 buiten werking werden gesteld, zouden ze ruim 1,7 miljoen lichamen hebben verbrand.

Dit is eenvoudig uit te rekenen op basis van de door de nazi’s zelf geschatte ovencapaciteit. Zie hiervoor een foto van dat document, of Pressac, Auschwitz: Technique and Operation, 1989, p. 247.

Merk op dat de nazi’s zich later gingen realiseren dat de theoretische capaciteit van de ovens te onpraktisch was, en dat zij eind 1942 hun schattingen verlaagden van 1440 per Krema per dag naar 800 (zie Gutman et al., Anatomy of the Auschwitz Death Camp, 1994, p. 212). Uitgaande van dat meer accurate aantal konden er iets minder dan een miljoen lichamen worden verbrand in die 20 maanden door deze twee Auschwitz-crematoria.

Dat komt overeen met de realiteit, omdat er andere Krema’s beschikbaar waren om lichamen te verbranden en omdt wij weten dat de ovens vaak overbelast raakten door het enorme aantal lichamen, waardoor het nodig werd lichamen te verbranden in open kuilen. Zie vraag 41. In totaal weden er 1,1 tot 1,5 miljoen mensen vermoord in Auschwitz en hun lichamen werden gecremeerd.



Het IHR zegt:

Nee. 50% van de tijd is een ruime schatting (12 uur per dag). Crematieovens moeten grondig en regelmatig worden schoongemaakt als zij veel in gebruik zijn.

Nizkor antwoordt:

Het volgende antwoord dekt ook de vragen 42, 43 en 44. (zie boven deze vraag)
Kijk eerst naar een foto van de ovens in Krema II om een idee te krijgen van de schaal waarvan we spreken. Ze zijn heel groot. En vergeet niet dat de Zündelsite deze massieve crematoriumgebouwen “kippenhokkken” noemt.

Er waren vijf Krema (crematoria) in Auschwitz. Krema II en III hadden vijf enorme ovens, elk met een “driedubbele “moffel” die drie lichamen tegelijk konden verbranden. Ze waren gebouwd om efficiënt en snel te werken, vooral als er veel lichamen op rij werden verbrand (zie Gutman et al., Anatomy of the Auschwitz Death Camp, 1994, pp. 185-186).

Hoewel de ovens waren ontworpen met drie moffels, konden er bijna altijd twee of drie lichamen in elke moffel worden geplaatst. Er waren veel kinderen bij, en de slachtoffers waren vaak gevangenen die maandenlang in Auschwitz hadden gezeten en die extreem ondervoed waren. De nazi’s beschouwden 70 tot 100 kilo stoffelijke overschotten als een “eenheid” die in één moffel verbrand kon worden; of dat nu één groot persoon was of drie kleintjes was technisch gesproken niet relevant. (Kampcommandant) Höss getuigde dat de Sonderkommando’s afwisselend twee en drie lichamen in elke moffel stopten. (Zie Gutman et al., op. cit., pp. 236, 166, 180n55.)

In tegenstelling tot wat het IHR beweert in vraag 42, konden de ovens de lichamen in een half uur tot maximaal 45 minuten verbranden. Dit is niet alleen bevestigd door ooggetuigen, maar ook door talloze nazi memo’s over verschillende verbrandings sessies.

Hier is de berekening voor een enkel crematorium, Krema II:
Vijf ovens, elk met drie moffels, waarvan elke moffel twee tot drie lichamen tegelijk kon bevatten (laten we zeggen twee) en ze kon verbranden in een half uur; die konden 1440 lichamen tot as reduceren in 24 werkuren. 5 maal 3 maal 2, gedeeld door een half, maal 24, maakt 1440.

Een buitgemaakt memo van 28 juni 1943, verzonden aan SS Generaal Kammler in Berlijn, stelt het aantal lichamen dat in een dag verwerkt kan worden in Auschwitz Birkenau op 4.756. Dit is blijkbaar op basis van een 24-urige werkdag met bovengenoemde aantallen, want het stelt de capaciteit van Krema II op 1440. Zie een foto van het document, of Pressac, Auschwitz: Technique and Operation of the Gas Chambers, 1989, p. 247.

Onder historici en technische experts loopt een discussie over de vraag of dit een theoretisch maximum is dat in werkelijkheid nooit werd gehaald, behalve met behulp van extra crematies in brandkuilen, ofwel een aantal dat werd bereikt en misschien zelfs overtroffen in de ergste tijd van de vernietigingsactie.

Niettemin is het duidelijk dat Lagaces stelling omtrent 184 lichamen per dag (Lenski, Robert, The Holocaust on Trial, 1990, p. 252) in de verste verte niet in de buurt van de werkelijkheid komt.



Het IHR zegt:

Nadat de botten helemaal zijn vermalen, ongeveer een schoenendoos vol.

Nizkor antwoordt:

Dit klopt, ongeveer een schoenendoos vol.



Het IHR zegt:

Dat moet nog “uitgelegd” worden. Zes miljoen lichamen zouden letterlijk tonnen en tonnen as produceren. Maar er is geen bewijs dat er ergens grote hoeveelheden van zulke as zijn.

Nizkor antwoordt:

Dat is een kleine oneerlijkheid. Niemand zegt namelijk dat er zes miljoen lichamen zijn verbrand. Achter het Oostfront werden de mensen eenvoudig doodgeschoten en in massagraven begraven.

Niettemin zijn er miljoenen lichamen verbrand (waaronder sommigen die al in massagraven waren begraven en weer opgegraven moesten worden). Het is heel makkkelijk om je te ontdoen van as. Hij werd gedumpt in velden en rivieren. As is niet giftig, hij kan overal worden gestort. Het is zelfs goede bemesting, en het feit dat boeren rond Auschwitz menselijke as op hun velden gebruikten is goed gedocumenteerd.

Reken maar uit hoeveel schoenendozen er in een grote vrachtwagen passen. Tienduizenden. Wat is het probbleem met het storten van vrachtwagenlading op vrachtwagenlading in de rivieren en op de velden? Auschwitz is gebouwd op een kruispunt van rivieren, met een groot moeras in de buurt. Er is zelfs een tijdens de oorlog genomen luchtfoto die grote hoeveelheden toont van wat mogelijk mensenlijke as kan zijn in een moeras even buiten het vernietingskamp.

Ter vergelijking: niemand ontkent dat Stalin en Mao op verschillende manieren tientallen miljoenen mensen hebben vermoord. Er zijn geen “revisionisten” die komen vragen waar de stapels van die lichamen liggen. Zij richten zich uitsluitend op de Holocaust. Waarom?



Het IHR zegt:

Nee. Deze foto’s laten geen spoor van de enorme hoeveelheden rook zien die zogenaamd voortdurend boven het kamp hingen. Zij tonen ook de “open kuilen” niet waarin lichamen verbrand zouden zijn.

Nizkor antwoordt:

Ten eerste waren er heel weinig vluchten boven Auschwitz. Eind 1943 en begin 1944 begonnen de geallieerden brandstoffabrieken te bombarderen, inclusief de kleine tot middelgrote petrochemische fabriek in Auschwitz III. Auschwitz III, ofwel Monowitz, was een bijkamp op ongeveer vier kilometer afstand van de gaskamers in Auschwitz II, ofwel Birkenau.

Het bereik van geallieerde bommenwerpers en hun escorte van jachtvliegtuigen was tot april 1944 te klein om Monowitz te bereiken (zie Gilbert, Auschwitz and the Allies, 1981, p. 191). Bij fotoverkenningen van het gebied op 4 april werden per ongeluk ook twintig foto’s genomen van Birkenau, waaronder drie van Auschwitz-Birkenau. Daarna waren er nog maar vier vluchten boven de crematoria voordat die werden gesloopt: op 31 mei, 26 juni, 25 augustus en 13 september 1944. In totaal zijn er bijzonder weinig foto’s genomen van Birkenau, waarvan sommige niet gedetailleerd genoeg zijn om van waarde te zijn.

Of op die foto’s toevallig vergassingsoperaties zijn vastgelegd was een kwestie van toeval. Een foto, genomen op 25 augustus, toont een rij van ongeveer honderd mensen die van de trein in de richting van Krema II en III lopen. Het hek van Krema II staat voor ze open. Willen de ontkenners beweren dat zij een rondleiding kregen door het “lijkenhuis”?

Dezelfde foto toont de gaskamers, inclusief heel duidelijke ventilatiegaten in het dak die werden gebruikt om Zyklon-B door te gooien. Hoe verklaren de ontkenners die? En vergeet niet dat een lijkenhuis niet kan worden gedesinfecteerd met Zyklon-B, omdat dat gif geen effect heeft op bacteria (zie Gilbert, op. cit., foto 28, tussen pp. 192-193.)

En die ventilatiegaten zijn zichtbaar op de gaskamers van Krema II en III, maar niet op de ontkledingsruimtes. Hoe verklaren de ontkenners dat verschil, aangezien zij zeggen dat zowel de gakamer als de ontkledingsruimtes lijkenkamers waren? Waarom wel ventilatiegaten op het ene en niet op het andere dak, en is het toeval dat de kamer met de gaten sinds de jaren 1940 wordt aangeduid als de gaskamer? Deze foto’s zijn pas in de jaren 1970 vrijgegeven.

Een andere foto toont een kuil die achter Krema III is gegraven, precies waar ooggetuigen de kuilverbrandingen hadden gesitueerd in getuigenverklaringen die jaren daarvoor werden afgelegd. De foto’s waren tot de jaren 1970 geheim, dus het feit dat zij kloppen met de getuigenverklaringen is een sterke ondersteuning van die getuigenissen. De laatste zin van het IHR-antwoord is hoe dan ook een gewone leugen.

Holocaust-ontkenners geven dit overigens toe, dus daar spreken ze zichzelf alweer tegen. De ‘revisionist’ Carlo Mattogno schrijft in een antwoord aan Pressac dat:

Luchtverkenningsfoto’s tonen aan dat er een crematie plaatsvindt in een van de drie kuilen van 3,5 bij 15 meter op de binnenplaats van Crematorium V.

Alweer kloppen hun verhalen niet. Overigens is het mogelijk dat er op de foto’s geen rook uit de crematoria komt. Wij zijn die kwestie aan het onderzoeken. Maar als dit zo is, betekent dat alleen dat op die bepaalde dagen geen lijkverbrandingen plaatsvonden. Er zijn maar op vijf dagen foto’s gemaakt van Auschwitz-Birkenau in het hele jaar 1944 en om sommige daarvan staan de crematoria niet, dus dit bewijst niets.

En wat de foto’s wel laten zien is buitengewoon schadelijk voor de stelling die de Holocaust-ontkenners innemen – dus, uiteraard, daar liegen zij over.