Bewijzen voor de Holocaust

Holocaustontkenners praten vaak een pamflet na, ’66 Vragen over de Holocaust’. De vragen zijn geen vragen maar beweringen. De website Nizkor heeft ze alle 66 ontzenuwd; hier een vertaling van de eerste ‘vraag’. Antwoorden op de andere ‘vragen’ vind je via het menu hiernaast.

Dit is de hoofdvraag van de ’66 Vragen’, die neerkomt op de onjuiste bewering dat er geen bewijzen zouden zijn dat de Sjoa werkelijk heeft plaatsgevonden. Het antwoord daarop is zeer lang en gedetailleerd: het ontzenuwt die bewering punt voor punt met bewijzen en citaten uit historische bronnen. Het geeft bovendien informatie over ontkennerstheorieen. De meeste overige antwoorden zijn korter en specifieker.

1. Welke bewijzen zijn er dat de nazi’s genocide pleegden of doelbewust zes miljoen Joden vermoordden?

Het antwoord van IHR en andere ‘revisionisten’ oftewel Holocaustontkenners luidt:
Geen. Naoorlogse getuigenissen van individuele ‘overlevenden’ zijn het enige bewijs. De getuigenissen spreken elkaar tegen, en geen enkele ‘overlevende’ zegt dat hij vergassingen heeft gezien. Er zijn geen documenten uit de tijd zelf en geen hard bewijs: geen bergen as, geen crematoria die miljoenen lichamen kunnen wegwerken, geen bergen kleren, geen zeep van lichaamsvet of lampekappen van mensenhuid, geen archieven, geen geloofwaardige demografische statistieken.
Nizkor antwoordt:
Dat er geen bewijzen zouden zijn, is van A tot Z gelogen.
Klik hieronder op ‘plus’ om de weerlegging te lezen van het betreffende punt.


“Naoorlogse getuigenissen van individuele overlevenden” zouden het enige bewijs zijn van de sjoa. Achter dit argument gaat een complottheorie schuil. Hier wordt de getuigenis van elke gevangene uit elk nazikamp automatisch als onbetrouwbaar van de hand gewezen. Deze volledige afwijzing van de getuigenissen van alle gevangenen én van de getuigenissen van de nazi’s zelf (!) is de onuitgesproken basis van Holocaust-ontkenning.

Het – zelden uitgesproken – uitgangspunt is, dat de poging tot genocide op de Joden nooit heeft plaatsgevonden, maar dat een geheim complot van Joden vanaf ongeveer 1941 ontelbare documenten heeft vervalst om te bewijzen dat die genocide wel heeft plaatsgevonden. En dat die samenzweerders na de oorlog alle overlevenden van de kampen hebben verteld wat ze moesten zeggen.

Die samenzweerders zouden er ook in zijn geslaagd honderden nazileiders te martelen totdat zij misdaden bekenden die ze nooit begaan zouden hebben, of hun mede-nazi’s deze misdaden in de schoenen schoven. Bovendien zouden ze honderden documenten nazi-archieven hebben binnengesmokkeld die pas na de oorlog werden ontdekt, en dan nog vaak door puur toeval. Het dagboek van Goebbels bijvoorbeeld was bijna verkocht als 7000 pagina’s kladpapier, maar dat verspreide manuscript bevat diverse veelzeggende passages, zoals (vertaald naar Lochner, The Goebbels Diaries, 1948, pp. 86, 147-148):

4 februari 1942: De Führer heeft opnieuw gezegd dat hij vastbesloten is de Joden in Europa zonder pardon op te ruimen. Hier mag geen laffe sentimentaliteit aan te pas komen. De Joden hebben de catastrofe verdiend die ze nu treft. Hun vernietiging zal hand in hand gaan met de vernietinging van onze vijanden. We moeten dit proces met koude genadeloosheid bespoedigen.

27 maart 1942: De procedure is behoorlijk barbaars en kan hier niet nader beschreven worden. Er zal niet veel overblijven van de Joden. Het komt erop neer dat ongeveer 60 procent ervan geliquideerd zal moeten worden, terwijl maar 40 procent gebruikt kan worden voor dwangarbeid.

Michael Shermer heeft erop gewezen dat de nazi’s zelf het aantal Europese Joden op elf miljoen schatten, en zestig procent van elf miljoen is 6,6 milljoen. Dit ligt vrij dicht bij het werkelijke aantal. (In werkelijkheid was 40 procent een zware overschatting van het percentage gevangen Joden dat overleefde, maar veel Joden ontsnapten.)

Overigens is het grootste deel van dat dagboek heel alledaags, alleen interessant voor geschiedkundigen. Hebben die veronderstelde Joodse samenzweerders 7000 pagina’s vervalst alleen om er die paar regels in te voegen? En hoe is het ze gelukt zo goed op de hoogte te zijn van Goebbels’ bewegingen dat ze fouten konden vermijden, bijvoorbeeld door hem of zijn medewerkers in de verkeerde stad te plaatsen op de verkeerde datum?

Zelfs de revisionist David Cole heeft toegegeven dat Holocaust-ontkenners nog geen bevredigende verklaring hebben gegeven van dit document.


En wat betreft de naoorlogse getuigenissen van nazi’s; zijn die allemaal gemarteld tot ze verwerpelijke misdaden bekenden die ze zogenaamd niet begaan zouden hebben? Dat zou nog geloofwaardig kunnen zijn als er maar een paar nazi’s gevangen waren genomen na de oorlog. Of misschien als er een paar dapper waren opgestaan in de rechtszaal en de wereld hadden toegeschreeuwd dat ze tot een valse getuigenis waren gedwongen. Maar dat is niet gebeurd. En er hebben er honderden getuigd over de sjoa, in processen die liepen van eind 1945 tot in de jaren 1960.

Veel van die nazi’s traden op als getuigen. Ze werden niet beschuldigd van misdaden en zaten niet in de gevangenis. Hoe kon er dan dwang op ze zijn uitgeoefend?

Veel van die processen werden gehouden in Duitse gerechtshoven. Martelden de Duitsers hun eigen landgenoten? Holocaust-ontkenners beweren soms wel dat de Joden in het geheim in de Duitse regering zijn geïnfiltreerd en dat ze die volledig in hun macht hebben. Maar ze praten liever niet te veel over die theorie, omdat die te duidelijk op de rand van de waanzin balanceert.

Het voornaamste punt is dat niet één van die veronderstelde slachtoffers van marteling – niet een in meer dan vijftig jaar – naar voren is gekomen om de bewering te ondersteunen dat er onder dwang was getuigd.

Integendeel. Jarenlang werd hun getuigenis steeds opnieuw bevestigd. Hoe had rechter Konrad Morgen gedwongen kunnen zijn om bij de Internationale Neurenberger Processen in 1946 te getuigen over de misdaden die hij had gezien, terwijl hij van geen enkele misdaad was beschuldigd? En om daarna te getuigen in het Auschwitzproces in Frankfort, van 1963-65? Wat voor dwang kan er zijn uitgeoefend op de SS-arts Johann Kremer om hem te laten getuigen bij zijn eigen verdediging in 1947, en vervolgens, nadat hij was veroordeeld in Polen en in Duitsland, na zijn vrijlating, opnieuw als getuige op te treden in het proces in Frankfort? Wat voor dwang kan er zijn uitgeoefend op Böck, Gerhard Hess, Hölblinger, Storch, en Wiebeck, allemaal voormalige SS-mannen, allemaal getuigen in Frankfort, geen van allen beschuldigd van enige misdaad daar?

Holocaust-ontkenners wijzen op kleine verschillen in getuigenissen, om die in discrediet te brengen. De veronderstelling, niet uitgesproken, is dat de lezer kleine discrepanties zal zien als bewijs van een enorm, alles omspannend Joods complot. Dat is natuurlijk onzin.
Die discrepanties en kleine vergissingen over details zijn juist eerder een argument tegen de complottheorie, niet ervoor. Waarom zouden de samenzweerders verschillende informatie hebben gegeven aan verschillende nazi’s? Sterker, als alle getuigenissen, van de nazi’s tot die van gevangenen, teveel op elkaar hadden geleken, zouden de Holocaust-ontkenners dat beslist het bewijs van een complot hebben genoemd.


De voormalige SS-Untersturmführer Dr. Hans Münch gaf veertig jaar na de oorlog, tegen de wil van zijn familie, een interview voor de Zweedse televisie. Hoe had hij daar na veertig jaar nog toe gedwongen kunnen zijn? In dat interview in 1981 had hij het over Auschwitz:

Interviewer: Is de uitroeiingsideologie niet strijdig met de ethische waarden van een arts?
Münch: Ja, absoluut. Dat valt niet te ontkennen. Maar ik leefde in die omgeving, en ik probeerde op alle mogelijke manieren te vermijden om dat te accepteren, maar ik moest ermee leven. Wat had ik anders kunnen doen? En ik werd er niet rechtstreeks mee geconfronteerd, totdat het bevel kwam dat ik en mijn superieur en een ander deel moesten nemen aan de vernietigingen, omdat de dokters van het kamp overwerkt waren en het niet aan konden.
Interviewer: Ik moet u dit vragen. Twijfelaars zeggen dat “speciale behandeling” van alles kon betekenen. Het hoefde niet vernietiging te zijn.
Münch: “Speciale behandeling” betekende in de terminologie van het concentratiekamp fysieke uitroeing. Als het ging om meer dan een paar mensen, zodat alleen vergassen de moeite waard was, werden ze vergast.
Interviewer: “Speciale behandeling” was vergassen?
Münch: Jazeker.

En welke veronderstelde dwang kon veertig jaar na dato nog de voormalige SS-Unterscharführer Franz Suchomel dwingen een interview te geven in de film Shoah? Sprekend onder (valse) beloftes over anonimiteit, vertelde hij over de misdaden die hij beging in het vernietigingskamp Treblinka (uit het boek Shoah, Claude Lanzmann, 1985, p.54):

Interviewer: U bent een zeer belangrijke ooggetuige, en u kunt uitleggen wat Treblinka was.
Suchomel: Maar gebruik niet mijn naam.
Interviewer: Nee, ik heb het beloofd. Goed, u bent aangekomen bij Treblinka.
Suchomel: Dus Stadie, de sergeant, liet ons de kampen zien van het begin tot het eind. Net toen we voorbij liepen, deden ze de deuren van de gaskamer open en de mensen vielen eruit als aardappels. Natuurlijk vonden we dat vreselijk en schokkend. We liepen terug en gingen op onze koffers zitten huilen als oude vrouwen.
Elke dag werden er honderd Joden uitgekozen om de lijken naar de massagraven te slepen. ’s Avonds dreven de Oekraïners die Joden de gaskamers in of ze schoten ze dood. Elke dag!

Vraag de ontkenners maar eens waarom ze de getuigenis van Franz Suchomel naast zich neerleggen. Greg Raven (hoofdredacteur van het IHR-blad) zal zeggen “dit is geen bewijs… geef me bewijzen alsjeblieft.” Anderen zullen zeggen dat Suchomel en Münch gek waren, of hallucineerden, of fantaseerden.

Maar de fantasie zit duidelijk in het hoofd van degenen die ervoor kiezen de massa bewijsmateriaal te negeren en die liever geloven in een hypothetisch complot, met geen ander bewijs dan hun verbeelding.

Dat totale gebrek aan bewijs voor hun theorie is de reden dat de “complot veronderstelling” bijna altijd onuitgesproken blijft. Voor zover wij weten geeft geen enkel ‘revisionistisch’ blad, artikel, pamflet, boek, speech, audioband, videoband, of nieuwsbrief details over dit zogenaamde Joods/Zionistische complot dat al het smerige werk heeft gedaan. Niet een.

Hoogstens verwijst de ontkennersliteratuur in bedekte termen naar het World Jewish Congress dat een ‘nepverhaal’ in stand houdt – maar ze geven geen details. Toch is de hele theorie van de Holocaust-ontkenning gebaseerd op deze veronderstelde samenzwering.

Wat betreft de getuigenissen van overlevenden, die volgens ‘revisionisten’ het enige bewijs vormen; er zijn inderdaad talloze getuigenissen van vergassingen en andere wreedheden, van Joden die de kampen hebben overleefd en ook van andere kampgevangenen, zoals krijgsgevangenen. Uiteraard zijn veel gevangenen die getuigden over de vergassingen niet Joods. Kijk bijvoorbeeld naar de getuigenis van de Poolse officier Zenon Rozansky over de eerste gasmoord in Auschwitz, waarbij 850 Russische krijgsgevangen vergast werden, in Reitlinger, The Final Solution, p. 154:

Degenen die tegen de deur aan stonden leunden met een vreemde stijfheid en vielen toen pal voor onze voeten, waarbij hun gezicht hard tegen de betonnen vloer knalde. Lijken! Lichamen die stijf rechtop stonden en de hele gang van de bunker vulden, zo dicht op elkaar gepropt dat er onmogelijk meer konden vallen.

Welke ‘revisionist’ zal dit ontkennen? Wie van hen was erbij? Wie van hen is er bevoegd om Rozansky te vertellen wat hij wel of niet heeft gezien?


De uitspraak dat “geen ‘overlevende’ beweert dat hij werkelijk een vergassing heeft gezien” is aantoonbaar onwaar; in latere versies is dit veranderd in “weinig overlevenden”, wat dichter bij de waarheid ligt.

Maar we hoeven niet uitsluitend af te gaan op getuigenissen, van overlevenden, nazi’s of wie dan ook. Het Amerikaanse leger heeft veel documenten buitgemaakt uit oorlogstijd, niet van na de oorlog, over vergassingen en andere misdaden. De meeste liggen in de National Archives in Washington, sommige in Duitsland.

Over de gaswagens, voorlopers van de gaskamers, vinden we bijvoorbeeld een topgeheim document van SS Untersturmführer Becker aan SS Obersturmbannführer Rauff (uit Nazi Conspiracy and Aggression, 1946, Vol. I, pp. 999-1001):

Als het bijvoorbeeld maar een half uur heeft geregend, kan de wagen niet worden gebruikt omdat hij gewoon wegslipt. Hij kan alleen worden gebruikt in volkomen droog weer. Nu is de vraag of de vrachtwagen alleen gebruikt kan worden terwijl hij stilstaat op de plaats van de executie. Eerst moet de vrachtwagen daarheen worden gebracht, wat alleen kan bij goed weer. …

Het gas wordt meestal niet correct toegediend. Om er zo snel mogelijk een eind aan te maken drukt de chauffeur het gaspedaal zo ver mogellijk in. Daardoor sterven de te executeren personen aan verstikking en niet door langzaam in slaap te vallen zoals gepland. Mijn aanwijzingen hebben nu aangetoond dat bij een correcte afstelling van de hendels de dood sneller intreedt en de gevangenen vredig in slaap vallen.

En Just schreef over de gaswagens aan Rauff, op 5 juli 1942, in een brief die de aanduidingen droeg “top geheim” en “enige exemplaar”. Dit is een afschuwelijk meesterwerk van nazi-dubbelzinnigheid, waarbij het moorden wordt aangeduid als “verwerken” en de slachtoffers als “subjecten” en “de lading” (zie Kogon, Nazi Mass Murder, 1993, pp. 228-235.)

Vanaf december 1941 werden er bijvoorbeeld 97000 verwerkt met behulp van drie wagens, waarbij zich geen storingen in de voertuigen voordeden…

De normale capaciteit van de vrachtwagens is negen à tien per vierkante meter. De capaciteit van de grotere speciale Saurer wagens is niet zo geweldig. Het probleem zit hem niet in overladen, maar in de sterk beperkte wendbaarheid van deze wagen buiten de gebaande wegen op allerlei soorten terrein. Het lijkt erop dat het nodig zal zijn de laadruimte te verkleinen. Dit kan bereikt worden door het compartiment ongeveer een meter te verkorten. Het probleem kan niet worden opgelost door alleen het aantal te verwerken subjecten te verminderen, zoals tot nu toe is gedaan. In dat geval is namelijk een langere draaitijd nodig, omdat de lege ruimte ook gevuld moet worden met CO [het giftige uitlaatgas].

Er is een betere bescherming nodig van de verlichting. Het rooster moet de lampen bedekken en hoog genoeg zijn aangebracht om het breken van de gloeilampen onmogelijk te maken. Het schijnt dat deze lampen vrijwel nooit worden aangedaan, dus de gebruikers stellen voor om ze weg te halen. Maar de ervaring leert dat de lading hard tegen de deur duwt als de achterdeur wordt gesloten en het binnen donker wordt. De reden is dat de lading snel naar het restje licht beweegt zodra het donker wordt. Dit belemmert het afsluiten van de deur. Men heeft ook opgemerkt dat het lawaai dat volgt op het afsluiten van de deur verband houdt met de angst die het donker opwekt.


Er kwamen verschrijvingen voor in schriftelijke correspondentie over de gaskamers zelf. Een deel daarvan is gelukkig niet helemaal vernietigd en is na de oorlog gevonden. Een memo gericht aan de SS’er Karl Bischoff op 27 november 1942 beschrijft de gaskamer in Krema II niet met de gebruikelijke alledaagse term “lijkenkelder”, maar als de “Sonderkeller”, de ‘speciale kelder’.
En twee maanden later, op 29 januari, schreef Bischoff een memo aan Kammler waarin hij diezelfde kamer aanduidde als de “Vergasungskeller”. (Zie Gutman, Anatomy of the Auschwitz Death Camp, 1994, pp. 223, 227.) “Vergasungskeller” betekent, precies zoals het klinkt: “vergassingskelder”, een ondergrondse gaskamer.

Holocaust-ontkenners beroepen zich op Arthur Butz, die een misleidende uitleg geeft voor de Vergasungskeller. Met “Vergasung”, zegt hij, kan niet het doden van mensen met gas worden bedoeld, maar alleen het proces van het omzetten van een vaste of vloeibare stof naar gas. Daarom zegt hij dat de “Vergasungskeller” een speciale ruimte geweest moet zijn waar de brandstof voor de ovens van Auschwitz werd omgezet in gas – een “gasificatiekelder”.

Er zijn drie problemen met die uitleg. Ten eerste kan met “Vergasung” wel degelijk het doden van mensen met gas worden bedoeld. Butz spreekt geen Duits en hij moet niet proberen college te geven over die taal. Ten tweede is er geen ruimte die ook maar enigszins kon dienen voor het proces dat Butz beschrijft – jaren nadat hij zijn boek had geschreven gaf hij dit toe, en suggereerde hij slapjes dat er misschien een ander gebouw was ergens in het kamp waar misschien een gasificatiekelder geweest kon zijn. Ten derde was voor het type oven dat in Auschwitz werd gebruikt helemaal geen gasificatieproces nodig! De ovens brandden op vaste brandstof. (Zie Gutman, op. cit., pp. 184-193.)

Dus wat wordt er dan wel bedoeld met de term ‘vergaskelder’? Holocaust-ontkenners hebben nog geen geloofwaardige uitleg kunnen bedenken.

Een inventaris, ook buitgemaakt na de oorlog, bracht veertien douchekoppen en een gasdichte deur aan het licht op de lijst vooor de gaskamer in Krema III. Holocaust-ontkenners beweren dat die ruimte een lijkenhuis was; zij boden niet aan uit te leggen waar een lijkenhuis douchekoppen en een gasdichte deur voor nodig heeft. (Zie een foto van het document, of Pressac, Auschwitz: Technique and Operation, 1989, pp. 231, 438.)
Een memo van de afdeling bouw van Auschwitz, gedateerd 31 maart 1943, zegt (Hilberg, Documents of Destruction, 1971, pp. 207-208):

Naar aanleiding hiervan verwijzen wij naar een andere bestelling van 6 maart 1943, voor levering van een gasdeur 100/192 voor Leichenkeller 1 van Krema III, Bw 30a, die gebouwd moet worden op de wijze en met dezelfde afmetingen als de kelderdeur van de ertegenover gelegen Krema II, met een kijkgat van dubbel 8mm dik glas in rubber gezet. Deze bestelling moet als bijzonder dringend worden beschouwd…

Waarom zouden lijkenhuizen een dringende behoefte hebben aan kijkgaten van een dubbele laag bijna centimeterdik glas?

De vraag of bewezen kan worden dat het cyanidegas in de gaskamers van Auschwitz is gebruikt heeft de ontkenners geïntrigeerd. Hun met veel ophef aangekondigde Leuchter Rapport bijvoorbeeld heeft zich bijzonder ingespannen over de vraag of daar vandaag de dag nog sporen zijn van cyanide. Maar wij hebben geen sporen van cyanide nodig om het gebruik van cyanide te bevestigen (Gutman, op. cit., p. 229):

Brieven en telegrammen die op 11 en 12 februari [1943] werden uitgewisseld tussen de Zentralbauleitung en Topf noemen een houten blazer voor Leichenkeller I. Die verwijzing bevestigt dat het lijkenhuis als gaskamer werd gebruikt: Bischoff en Prüfer dachten dat voor het afvoeren van lucht gemengd met geconcentreerd pruisisch zuur [cyanide] (20 gram per kubieke meter) een roestvrije ventilator nodig was.

Bischoff en Prüfer bleken het mis te hebben, en uiteindelijk werkte een metalen ventilator goed genoeg. Maar het feit dat zij dachten dat een houten blazer nodig was, toont aan dat er regelmatig cyanide gebruikt zou worden in de ruimten die ontkenners lijkenhuizen noemen. (Cyanide is totaal ongeschikt voor het desinfecteren van lijkenhuizen omdat het bacteria niet doodt.)


Andere buitgemaakte documenten, al verwijzen zij niet rechtstreeks naar onderdelen van het uitroeingsproces, verwijzen daar impliciet naar. Een buitgemaakt memo aan SS-Brigadeführer Kammler onthult dat de verwachte verbrandingscapaciteit van alle ovens in Auschwitz in totaal 4.756 lichamen per dag was (zie een foto van het document of Kogon, op. cit., p. 157).

Ontkenners beweren vaak dat dit totaal in de praktijk niet kon worden gehaald (zie vraag 45). Dat doet niet terzake. Deze crematoria werden, in 1942, ontworpen om voldoende capaciteit te hebben om 140.000 lichamen per maand weg te werken – in een kamp dat slechts ruimte bood aan 125.000 mensen. We kunnen concluderen dat er al midden 1942 enorm hoge dodentallen verwacht werden, ja zelfs gepland waren. Een kamp dat is ontworpen om elke vier weken zijn volledige inwonercapaciteit te verbranden is geen gewoon detentiecentrum.


En tenslotte is er – afgezien van de overvloed aan getuigenissen, bekentenissen en fysieke bewijzen van het uitroeingsproces – zeker geen gebrek aan bewijs van de intenties en plannen van de nazi’s.
Hier volgen slechts een paar voorbeelden. Het dagboek van Hans Frank (uit Nazi Conspiracy and Aggression, 1946, Vol. I, pp. 992, 994):

Maar wat moet er met de Joden gebeuren? Denk je dat ze overgeplaatst zullen worden naar het ‘Ostland’ [de oostelijke gebieden], in [nieuwe kolonisatie]dorpen? Dat kregen we te horen in Berlijn: Waarom zoveel moeite? We kunnen niets met ze beginnen in het ‘Ostland’ of in het ‘Reichkommissariat’. Dus liquideer ze zelf maar.

Heren, ik moet u vragen u te ontdoen van elk gevoel van mededogen. Wij moeten de Joden uitroeien, waar we ze ook vinden en waar we maar kunnen, om de structuur van het Rijk als geheel te behouden. …

Wij kunnen niet 3.500.000 Joden doodschieten of vergiftigen, maar we zullen er niettemin in slagen maatregelen te nemen die op de een of andere manier tot hun uitroeing zullen leiden. …

Dat we 1.200.000 veroordelen tot de hongerdood zij slechts terzijde opgemerkt.

Himmlers redevoering in Posen op 4 oktober 1943 is op geluidsbanden vastgelegd (Trial of the Major War Criminals, 1948, Vol. XXIX, p. 145, vert.):

Ik verwijs nu naar de evacuatie van de Joden, de uitroeing van het Joodse volk. Dat is een van die dingen die gemakkelijk gezegd worden: “het Joodse volk wordt uitgeroeid,” zegt elk Partijlid, “dat is waar, het maakt deel uit van onze plannen, het elimineren van de Joden, uitroeien, wij zijn ermee bezig.”

De vernietigingsinspanningen werden zelfs genoemd in tenminste één officieel vonnis van een nazirechtbank. In mei 1943 schreef een Munchens gerechtshof in het vonnis tegen SS-Untersturmführer Max Taubner dat:

De verdachte zal niet worden gestraft voor zijn daden tegen de Joden als zodanig. De Joden moeten worden uitgeroeid en geen van de Joden die zijn gedood waren een groot verlies. Hoewel de verdachte had moeten erkennen dat het vernietigen van de Joden de plicht was van Kommando’s die speciaal met dit doel zijn opgericht, moet het hem vergeven worden dat hij meende gerechtigd te zijn om zelf deel te nemen aan de uitroeing van het Jodendom.

En Hitler sprak zich niet minder dan driemaal heel duidelijk uit in het publiek. Op 30 januari 1939, zeven maanden voor de Duitse inval in Polen, sprak hij publiekelijk tot de Reichstag (transcriptie van Skeptic magazine, Vol. 2, No. 4, p. 50):

Vandaag wil ik opnieuw een profetie doen: als de internationale geld-Joden binnen en buiten Europa er nogmaals in zouden slagen om naties opnieuw in een wereldoorlog te storten, dan zal het gevolg niet de ver-Bolsjewieking van de wereld zijn en daarmee de overwinning van de Joden, maar de vernietiging van het Joodse ras in Europa.

Die laatste zin overigens luidt in het Duits: “die Vernichtung der jüdischen Rasse in Europa”. Wie Duits spreekt zal zich realiseren dat dit volkomen ondubbelzinnig is.
In september 1942:

…als het Jodendom een complot zou smeden voor nog een wereldoorlog om de Arische volken in Europa uit te roeien, dan zou het niet het Arische volk zijn dat vernietigd werd maar de Joden…

Op 8 november 1942:

U zult zich de zitting van de Reichstag herinneren waarin ik verklaarde: als de Joden zich verbeelden dat zij een internationale wereldoorlog kunnen ontketenen om de Europese rassen te vernietigen, dan zal het resutaat niet de vernietiging zijn van de Euroepse rassen, maar de vernietiging van de Joden in Europa.
De mensen hebben altijd gelachen om mijn profetiën. Van degenen die toen hebben gelachen, zullen velen nu niet langer lachen, en degenen die nu nog lachen, zal het lachen misschien zeer binnenkort vergaan.


Er zijn nog veel andere voorbeelden van documenten en getuigenissen die gepresenteerd kunnen worden.
Vergeet niet dat het antwoord van de IHR op de vraag ‘wat is er voor bewijs’ luidt: ‘geen’. Het bovenstaande heeft al aangetoond dat dit vlotte antwoord volkomen oneerlijk is. En dat is het voornaamste punt dat wij willen overbrengen: dat Holocaust ontkennen oneerlijk is.
Hieronder een analyse van meer specifieke beweringen over bewijsmateriaal dat er zogenaamd niet zou zijn.


“Geen bergen as” wordt tegengesproken door de ontkenners zelf. In een artikel in het tijdschrift van dezelfde IHR die deze Vragen en Antwoorden heeft gepubliceerd, rapporteerde de hoofdredacteur van dat tijdschrift dat een Poolse commmissie in 1946 menselijke as had aangetroffen in het vernietigingskamp Treblinka tot een diepte van meer dan zes meter. Dit artikel is te lezen op de website van Greg Raven.
(Blijkbaar hadden sommige overlevenden gezegd dat de lichamen altijd volledig gecremeerd werden. Omdat er ongecremeerde menselijke overblijfselen vermengd waren met de as, suggereerde de hoofdredacteur dat die getuigenissen onjuist waren. Verbazend genoeg had hij geen commentaar over de vraag hoe er daar een zes meter dikke laag menselijke as terecht was gekomen. Misschien vond hij dat niet de moeite van het noemen waard.)
Ook in Maidanek zijn er stapels as. In Auschwitz-Birkenau werd as van gecremeerde lichamen in de rivieren en moerassen rond het kamp gestort, en gebruikt als mest op de velden van boeren uit de buurt

“Geen crematoria” die miljoenen lichamen konden wegwerken? Absoluut onwaar, de crematoria waren meer dan geschikt voor dat werk, volgens interne memo’s van de nazi’s zelf en de getuigenis van overlevenden. Holocaust-ontkenners verwarren met opzet burgerlijke crematoria op begraafplaatsen met de gigantische industriële ovens van de vernietingskampen. De antwoorden op de vragen 42 en 45 gaan hier met veel details op in.

“Geen stapels kleren”? Blijkbaar vindt de IHR stapels kleren ‘harde bewijzen’! Dat is vreemd, want zij ontkennen niet het bestaan van de andere stapels die in concentratiekampen zijn aangetroffen: stapels brillen, stapels schoenen (in Auschwitz, Belzec en Maidanek), stapels gouden tanden, stapels verbrande lijken, stapels onverbrande lichamen, stapels kunstledematen (zie Swiebocka, Auschwitz: A History in Photographs, 1993, p. 210), stapels menselijk haar (ibid, p. 211), stapels geplunderde koffers (ibid, p. 213), stapels scheerkwasten (ibid, p. 215), stapels kammen (ibid), stapels potten en pannen (ibid), en ja, zelfs die stapels kleren (ibid, p. 214) waarvan de IHR beweert dat ze niet bestaan.
Misschien realliseerden de auteurs van de 66 Q&A zich dat het gevaarlijk voor ze was om toe te geven dat die stapels harde bewijzen waren, want dan zouden zij ook gedwongen zijn veel andere zaken te erkennen als “harde bewijzen”. Misschien is dat de reden dat zij deze zin hebben verwijderd uit een latere uitgave van 66 Q&A.
Als sommige zaken meestal niet in grote hoeveelheden zijn aangetroffen, dan is dat alleen omdat de nazi’s ze hebben verdeeld onder de Duitse bevolking. Er is een memo hierover buitgemaakt, dat onthult dat zelfs damesondergoed werd gedistribueerd.

“Geen zeep van mensen”? Dat is waar, maar misleidend. Hoewel er enig bewijs is dat er op zeer kleine, experimentele schaal zeep is gemaakt van lichamen, heeft de ‘massaproductie’ waarover geruchten in omloop zijn nooit plaatsgevonden en voorzover bekend bestaat er geen zeep die van menselijke resten is gemaakt. Er bestaan echter beëdigde verklaringen, die nooit zijn weerlegd, van Britse krijgsgevangenen en een Duitse legerofficier, waarin zij verklaren dat er zeep-experimenten zijn uitgevoerd, en het recept voor de zeep is door de geallieerden buitgemaakt. Om botweg te zeggen dat de nazi’s nooit zeep hebben gemaakt van mensen is onjuist.

“Geen lampekappen van mensenhuid”? Onwaar – in beide processen tegen Ilse Koch zijn lampekappen en andere ‘ornamenten’ van menselijke huid toegelaten als bewijsmateriaal en in de late jaren ’40 zijn zij getoond aan een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat. Wij weten dat zij gemaakt waren van menselijke huid omdat zij tatoeëringen droegen en omdat er een microscopische forensische analyse is uitgevoerd van deze objecten.

“Geen archieven”? Dat is onzin (hetgeen mogelijk verklaart waarom deze claim is geschrapt uit de ‘herziene’ versies van de 66 Q&A). Uitroeing door vergassing werd weliswaar inderdaad altijd aangeduid met codewoorden. En de slachtoffers die onmiddellijk na aankomst in een vernietingskamp werden vergast, zijn niet geregistreerd. Maar er zijn vergissingen gemaakt in het gebruik van codewoorden die de werkelijke betekenis ervan onthullen, zoals boven is beschreven. Er zijn inventarissen van, en requisities door de Krema, die zaken onthullen die niet te rijmen vallen met normaal gebruik, maar perfect te rijmen zijn met massamoord door vergassing. Er zijn transportlijsten van deportatietreinen die, als je ze samenvoegt, duidelijke taal spreken. En zo voort. Hierboven zijn al verschillende voorbeelden gegeven.

“Geen geloofwaardige demografische statistieken”? Hier spreken de ontkenners zichzelf weer tegen – zie vraag 2 en vraag 15. Het Anglo-Amerikaans comité dat de kwestie bestudeerde, schatte het aantal Joodse slachtoffers op 5,7 miljoen. Deze schatting was gebaseerd op bevolkingsstatistieken. Hieronder de exacte verdeling, per land:

Duitsland –
Oostenrijk –
Tsjechoslowakije –
Denemarken –
Frankrijk –
Belgie –
Luxemburg –
Noorwegen –
Nederland –
Italie –
Joegoslavie –
Griekenland –
Bulgarije –
Roemenie –
Hongarije –
Polen –
USSR – 195,000
53,000
255,000
1,500
140,000
57,000
3,000
1,000
120,000
20,000
64,000
64,000
5,000
530,000
200,000
3,271,000
1,050,000
Min: verstrooide vluchtelingen 308,000
Totaal aantal vermoorde Joden 5,721,500
(Deze schatting gebruikte bevolkingsstatistieken, hij telde dus niet de aantallen slachtoffers van elk kamp op. Ook die aantallen zijn beschikbaar – er is bijvoorbeeld een apart dossier, gewaarmerkt door een Duits gerechtshof, over het aantal slachtoffers in Treblinka. De SS voerde een zeer accurate administratie, en veel van de documenten bestaan nog, ondersteund door ooggetuigenverslagen.)
Sommige schattingen zijn lager, andere hoger, maar dit is de orde van grootheid waarover het gaat.
In een artikel van het studentenblad van Central Michigan University stelt het hoofd van de Geschiedenis Faculteit, Peater Stearns, dat onlangs ontdekte documenten, vooral in de voormalige Sovjet Unie, aanwijzingen geven dat het aantal slachtoffers hoger ligt dan zes miljoen. Andere historici spreken van weinig meer dan vijf miljoen. De The Encyclopedia of the Holocaust geeft 5,596,000 als minimum en 5,860,000 als maximum (Gutman, 1990, p. 1799).

Samenvattend:

‘Revisionisten’ stellen vaak, en terecht, dat de bewijslast ligt bij geschiedkundigen. Het bewijs is uiteraard al sinds eind 1945 gedocumenteerd en toegankelijk voor het publiek in bibliotheken over de hele wereld. Aan de bewijslast is vele malen voldaan. Wat hierboven staat is maar een korte presentatie van een paar hoogtepunten uit die enorme hoeveelheid bewijzen; er is veel meer en het is toegankelijk.
Beweren dat de sjoa nooit heeft plaatsgevonden is een aanfluiting. Maar om met een stalen gezicht te beweren dat geen van die vele bewijsstukken bestaan, gaat nog verder. Het is een duidelijk voorbeeld van de leugenachtigheid van ‘revisionisten’.