Algemene vragen

Holocaustontkenners praten vaak een pamflet na, ’66 Vragen over de Holocaust’. De vragen zijn geen vragen maar beweringen. De website Nizkor heeft ze alle 66 ontzenuwd; hieronder de weerlegging van algemene ‘vragen’ die Holocaustontkenners stellen om de sjoa te ontkennen of te bagatelliseren. Klik op de plus of min voor een vraag om het antwoord op die vraag te openen of sluiten.
Antwoorden op andere ‘vragen’ vind je in het menu hiernaast.


Het IHR zegt:
Uitputtend forensisch, demografisch, analytisch en vergelijkend bewijsmateriaal toont de onmogelijkheid van een dergelijk aantal aan. Het veel herhaalde getal “zes miljoen” is een onverantwoordelijke overdrijving.
Nizkor antwoordt:
Ten eerste: in hun antwoord op die vraag beweren ontkenners dat ze “uitputtend bewijs” hebben dat iets niet gebeurd is. Maar Holocaust-ontkenners stellen vaak dat zij niets hoeven te bewijzen omdat, zeggen zij, “het onmogelijk is een ontkenning te bewijzen”. Greg Raven heeft dit tenminste tweemaal gezegd: een keer impliciet, en eenmaal expliciet:
Wij merken ook op dat ze mij vragen een ontkenning te bewijzen, hetgeen onmogelijk is.
Het is ook onmogelijk om te bewijzen dat iets niet is gebeurd. Maar omdat zij helemaal niets van hun “bewijs” geven, is het onmogelijk een afdoend antwoord te geven op deze absurde bewering. “Forensisch bewijsmateriaal” verwijst waarschijnlijk naar het fraudulente ‘Leuchter Rapport’, waarover al een gedetailleerde analyse is geschreven.
En waar komt ineens dat “demografisch bewijs” vandaan? Hebben ze niet net in vraag 1 gezegd dat “er geen geloofwaardige demografische statistieken zijn”? Alweer spreken zij zichzelf tegen.
“Analytisch en vergelijkend bewijsmateriaal” kan van alles betekenen. We nodigen elke ‘revisionist’ uit om uit te leggen wat dit betekent en om iets van dat bewijsmateriaal te presenteren, en we beloven dat wij daar dan op zullen reageren.


Het IHR zegt (1e editie):

Ja. In Books and Bookmen, ed. April 1975. Hij stelt dat de “vergassingen” van de Joden in Polen plaatsvonden.

Het IHR zegt (herziene versie):

Ja. De beroemde “nazi jager” schreef dit in Stars and Stripes, 24 januari 1993. Hij stelde ook dat er alleen in Polen “vergassingen” van Joden plaatsvonden.

Nizkor antwoordt:
In Wiesenthals ingezonden brief uit 1975 stond:

Omdat er geen vernietigingskampen waren op Duitse bodem gebruiken de neo-nazi’s dit als bewijs dat deze misdaden niet gebeurd zijn. …

Hoe ironisch dat hij niet alleen gelijk had, maar dat zijn eigen woorden hierover later werden misbruikt op de manier die hij beschreef.

Beide antwoorden zijn op zich juist: Wiesenthal zei inderdaad in 1975 en 1993 dat er geen vernietigingskampen waren in wat nu Duitsland heet. Maar hoe onschuldig de verandering ook lijkt, die doet de lezer geloven dat de laatste uitspraak een soort ‘bekentenis’ is dat de sjoa op veel beperkter schaal zou hebben plaatsgevonden dan altijd is gezegd en dat de waarheid eindelijk uitkomt. Juist met behulp van uitspraken zoals die van Wiesenthal beweren ontkenners dat zij onwillige historici ‘dwingen de waarheid te spreken’ door druk op hen uit te oefenen.

De waarheid is echter dat historici en anderen zoals Wiesenthal al jaren bij herhaling hebben geprobeerd diverse mythes over de sjoa uit te bannen: het verhaal over de massaproductie van zeep gemaakt uit menselijk vet is een goed voorbeeld. Maar aan de Holocaust twijfelen zij niet.

Een andere misvatting die bona fide historici en mensen als Wiesenthal probeerden uit te drijven, is dat het grootste deel van de vernietiging van de Joden plaatsvond in Duitsland zelf – of, juister gezegd, binnen het “Altreich“, de vooroorlogse grenzen van Duitsland. Hoewel daar wel gaskamers waren en gasmoorden plaatsvonden, gebeurde dit in het Altreich op veel kleinere schaal dan in de kampen in bezet Polen, zoals Belzec, Sobibor, Treblinka, Kulmhof/Chelmno, Maidanek/Majdanek, en Auschwitz-Birkenau. Ongeveer drie miljoen mensen, bijna uitsluitend Joden, zijn in die kampen vergast. Kamp-vergassingen in het Altreich eisten waarschijnlijk de levens van slechts een paar duizend mensen, vrijwel zeker minder dan tienduizend. Behalve “kleine” vergassingen in plaatsen als Sachsenhausen, Stutthof, Neuengamme en Ravensbrück, bleef het moorden in het Altreich voornamelijk beperkt tot het ‘euthanasie’-programma, dat wel meer dan honderdduizend (meest niet Joodse) mensenlevens eiste.

De nazi’s hadden minstens twee goede redenen om de kampen buiten Duitsland te bouwen. Ten eerste waren ze zo gemakkelijker te verbergen voor het Duitse volk. Gezien de chaotische oorlogsomstandigheden in het gebied rond het Altreich waren ze daar voor iedereen makkelijker te verbergen.

Ten tweede kwam de overgrote meerderheid van de vermoorde Joden uit bezet gebied in het oosten en zuiden – dus waarom extra moeite doen om ze naar Duitsland te vervoeren? (Zie de statistieken in het laatste punt van vraag 1.)

Maar de ontkenners erkennen totaal niet dat die zogenaamde “bekentenis” van Wiesenthal niets anders is dan wat respectabele historici al 45 jaar zeggen. Waarschijnlijk is dit voor het eerst in 1950 gezegd door het Instituut voor Contemporaine Geschiedenis in Munchen. Dit selectief citeren is niets anders dan liegen door weglating en insinuaties.



Het IHR zegt:

Omdat na de inname door de geallieerden duizenden soldaten door Dachau werden rondgeleid en gebouwen te zien kregen die gaskamers werden genoemd, en omdat de massamedia op grote schaal, maar ten onrechte, zeiden dat Dachau een ‘vergassingskamp’ was.

Nizkor antwoordt:
In de zin dat er tienduizenden mensen werden doodgehongerd en soms vermoord, was Dachau inderdaad een dodenkamp. Dachau moet waarschijnlijk niet worden aangeduid met de term ‘vernietigingskamp’ , want die wordt meestal gezien als aanduiding van een van de grote kampen in bezet Polen, waar massale vergassingen werden verricht. (zie vraag 3)
Maar het lijdt geen twijfel dat de gaskamer daar bestond. De geallieerden maakten het memo buit van Dr. Sigmund Rascher uit Dachau aan Himmler, waarin stond (zie Kogon et al., Nazi Mass Murder, 1993, p. 202):

Zoals u weet zijn in het concentratiekamp Dachau dezelfde voorzieningen [gaskamers] gebouwd [als in Linz Hartheim]. Hoewel de “invalidentransporten” hoe dan ook in bepaalde kamers eindigen, is mijn vraag of we niet een paar van onze diverse strijdgassen kunnen testen op specifieke personen die bij de actie betrokken zijn. Tot nu toe zijn er alleen proeven op dieren geweest en verslagen van dodelijke ongelukken bij de fabricering van die gassen. Vanwege deze alinea heb ik deze brief onder de noemer “Geheim” verzonden.

Een Amerikaanse verslaggever maakte zeer kort na de inname van het kamp filmopnamen van de gaskamer, waarin te zien was dat hij een bordje droeg met “Brausebad” (douches), hoewel er geen douches waren.

De vraag naar het bewijs dat de gaskamer is gebruikt, is nog niet afdoende beantwoord. Sommige historici zeggen dat er geen twijfel over bestaat: hij is nooit gebruikt. Sommige zeggen dat dit nog een open vraag is. Het komt aan op twee getuigenissen: die van een Britse officier genaamd Payne-Best, die zegt dat hij Dr. Rascher over vergassingen heeft horen spreken, en die van Dr. Franz Blaha, die onder ede heeft getuigd over experimentele vergassingen. Zie voor meer informatie Kogon et al., op. cit., pp. 202-204, en Blaha’s getuigenis in Trial of the Major War Criminals, 1947, vol. V, pp. 167-199.

Holocaust-ontkenners laten uiteraard alleen de opvatting zien dat de gaskamer nooit is gebruikt. Zij citeren vaak uit een brief uit 1960, geschreven door de directeur van het Institut für Zeitgeschichte (Instituut voor Contemporaine Geschiedenis) in Munchen (zie Die Zeit, 19 augustus 1960, p.16):

Geen vergassingen in Dachau
Noch in Dachau, noch in Bergen-Belsen en Buchenwald, zijn er Joden of andere gevangenen vergast.

De brief bevestigt uiteraard dat in de grotere kampen wel massale vergassingen plaatsvonden. Die passage noemen Holocaust-ontkenners liever niet. Ze vermelden ook niet graag dat het Instituut na 1960 meer onderzoek heeft gedaan en tot een andere conclusie is gekomen. Nu zeggen zij:

..er werd een gaskamer geinstalleerd [in Dachau], waarin… een paar experimentele vergassingen werden uitgevoerd, zoals recent onderzoek bevestigt.

Uiteindelijk vermelden de meeste ‘massamedia’ de feiten: dat Dachau op zeer kleine schaal werd gebruikt voor vergassingen. Of de term ‘vergassingskamp’ passend is, hangt waarschijnlijk van de contekst af. Als het IHR een citaat kan voorleggen waarin een krant of tijdschrift een onjuistheid heeft gedrukt, laat het dat dan doen. Het zou niet de eerste, noch de laatste fout in een publicatie zijn. Als Holocaust-ontkenners denken dat fouten in kranten kunnen helpen bewijzen dat de Holocaust niet heeft plaatsgevonden, lijden zij duidelijk aan waanvoorstellingen.


Het IHR stelt [in de folder van voor de val van het ‘IJzeren Gordijn’]:

Nee. Er is staat een beloning van $50.000 op het leveren van zulk bewijs, het geld staat gereserveerd op een bank, maar niemand heeft enig geloofwaardig bewijs kunnen leveren. Auschwitz, dat door Sovjet-troepen is ingenomen, is na de oorlog ingrijpend veranderd en er is een mortuarium gereconstrueerd dat eruit moest zien als een grote “gaskamer”. Het is nu een grote toeristische attractie voor de communistische regering in Polen.

Het IHR zegt (herziene folder):

Nee. Auschwitz, dat is ingenomen door Sovjet-troepen, is na de oorlog veranderd en er werd een ruimte gereconstrueerd die eruit moest zien als een grote “gaskamer”. Nadat de belangrijkste Amerikaanse expert op het gebied van gaskamer-bouw en –ontwerp deze en andere beweerde vergassingsfaciliteiten had onderzocht, verklaarde hij dat het “absurd” was om te beweren dat zij waren gebruikt, of gebruikt konden zijn, voor executies.

Nizkor antwoordt:
Wat betreft die beloning van $50.000: die is tot op de laatste cent (in werkelijkheid was het $90.000) uitbetaald aan Mel Mermelstein, een Auschwitz-overlevende die de IHR voor het gerecht heeft gedaagd. Hieronder het vonnis van de rechter:

De edelachtbare Thomas T. Johnson vonniste op 9 oktober 1981 als volgt:
Op grond van de Bewijscode Sectie 452(h) verklaart dit Hof wettelijk bewezen dat Joden in het concentratiekamp Auschwitz door vergassing ter dood zijn gebracht gedurende de zomer van 1944

En:

Het is eenvoudig een feit dat valt binnen de definitie van Bewijscode Sectie 452(h). Het valt niet redelijkerwijs te betwisten. En het kan onmidellijk en accuraat worden vastgesteld door bronnen te raadplegen waarvan de juistheid redelijkerwijs onbetwistbaar is. Het is eenvoudig een feit.

Het IHR klaagde dat het niet de kans had gekregen dit feit te betwisten, maar het Amerikaanse rechtssysteem is niet bedoeld als een plaats waar mensen kunnen proberen waanzinnige theorieen te bewijzen. Er is geen “geloofwaardig bewijs” gepresenteerd omdat dit niet noodzakelijk was – een rechtszaal is niet de plaats om het werk van historici gedurende de laatste halve eeuw te herkauwen.

Daarbij betekent “geloofwaardig bewijs” alleen maar wat Holocaust-ontkenners willen dat het betekent. Michael Shermer heeft in een open brief aangeboden het IHR aan een vergelijkbaar aanbod te houden, maar alleen als het tevoren precies zou definiëren wat het als bewijs zou accepteren. Hij heeft geen antwoord ontvangen. (Het IHR heeft zijn brief tot op heden zelfs niet gepubliceerd.)

Na zijn rechtszaak klaagden zowel Mermelstein als het IHR de ander aan wegens laster, maar beiden besloten de zaak niet te laten voorkomen. De Holocaust-ontkenners stellen dat dit een “overweldigende overwinning” is, die ‘het resultaat teniet doet van het eerste proces’. Onzin: de twee zaken hielden geen verband met elkaar, en de tweede zaak had niets te maken met de gaskamers in Auschwitz.

Zoals bij de meeste processen zijn de details zeer gecompliceerd. Uitgebreide details, inclusief copieën van diverse officiële documenten, zijn te vinden in de FTP-archieven.
Over het fraudulente “Rapport” van Fred Leuchter is een afzonderlijke lijst Vragen & Antwoorden beschikbaar.<



Het IHR zegt (eerste versie):

Het was een groot fabriekscomplex. Er werd synthetisch rubber (Buna) geproduceerd, en de gevangenen werden gebruikt als arbeiders. Het Buna productieproces is tijdens WOII in de VS toegepast.

Het IHR stelt (herziene versie):

Het was een gevangeniscomplex en maakte deel uit van een groot fabriekscomplex. Er werd synthetische brandstof geproduceerd, en de gevangenen werden gebruikt als arbeiders.

Nizkor antwoordt:

Tot op zekere hoogte waar. Auschwitz was een groot complex; het had gewone krijgsgevangenenkampen (waarin ook Britse piloten werden vastgehouden, en zij getuigden over oorlogsmisdaden in het nabij gelegen vernietigingskamp). Auschwitz II, ofwel Birkenau, was het grootste kamp, en de gaskamers bevonden zich daar. Auschwitz III, ofwel Monowitz, was het fabrieksterrein.

Veel gevangenen werden inderdaad gebruikt voor dwangarbeid in Auschwitz. Maar de “ongeschikten” – dat wil zeggen de ouderen, de kinderen en de meeste vrouwen – werden onmiddellijk naar de gaskamers gezonden.

In het herziene antwoord stelt het IHR dat daar “synthetische brandstof” werd geproduceerd en niet Buna. Dat is accurater. Tegen het einde van de oorlog was er nog niet een ons rubber geproduceerd in het Buna kamp.

Het is echter een tactische fout dat het IHR dit toegeeft, want in vraag 40, over kuilverbrandingen, stelt het dat het onmogelijk was lichamen te verbranden omdat er geen brandstof was. Niettemin geeft het toe dat er een brandstoffabriek was op slechts enkele paar kilometers afstand. Die produceerde inderdaad brandstof, en was om die reden een doelwit voor geallieerde bombardementen.